Ingezonden: voorlopige voorziening AZC

RIJS

Mr. J.P. van Vulpen stuurde de Balkster Courant een ingezonden brief naaar aanleiding van het standpunt van de burgemeester over de voorlopige voorziening AZC.

Hij schrijft:’Geen wonder dat de burgemeester van de gemeente De Fryske Marren, waaronder Balk valt, zeer tevreden is over de uitspraak van de voorzieningenrechter. Natuurlijk. Bij dit soort geschillen heeft de overheid alle vertrouwen in de bestuursrechter. Dat vindt zijn oorzaak in het ontstaan van het bestuursrecht. Gelukkig grijpt de civiele rechter als het om het zoeken naar gerechtigheid gaat vaak in. Mogelijk voor belanghebbenden in de buurt van het aan te leggen AZC om zich nog eens te beraden over de mogelijkheid van civiele procedures in plaats van op de heilloze weg van het bestuursrecht door te gaan. Zeker als er in het verleden toezeggingen zijn gedaan over openhouden van deze strook grond. Bestuursrecht In Nederland is heel laat het bestuursrecht ingevoerd. Dat gebeurde op het moment dat de civiele rechter, omdat er toen nog geen bestuursrecht was in Nederland, de Staat veroordeelde in de zogezegde ‘Waterwin arresten’ waarbij doordat in de duinen zand werd gewonnen, zout water bij de kwekers van de zogezegde geestgronden terechtkwam. De Staat werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding. In het bestuursrecht krijgt de burger alleen om heel formele redenen wel eens gelijk, maar meestal krijgt de overheid gelijk. Daarom vind ik de invoering van het bestuursrecht al sinds jaar en dag een fopspeen. Dat dit het geval is, is in Friesland al eerder gebleken door de zogezegde ‘Pikmeer’ uitspraken. Deze uitspraak is later door de rechter wel enigszins gecorrigeerd, maar het werd de overheid toegestaan om giftige grond te storten omdat dit een overheidstaak zou zijn. Te gek voor woorden natuurlijk. Civiele rechter te lastig voor de overheid Het bestuursrecht is ingevoerd omdat de civiele rechter te lastig werd voor de overheid. Dat is ook weer gebleken bij de procedures die zijn gevoerd bij het referendum over de Oekraïne. De gemeente Oldenzaal had bij dat referendum 71% minder stembureaus geopend. De tegenstanders van dat beleid gingen naar de bestuursrechter en kregen ongelijk omdat de bestuursrechter bepaalde dat B&W van elke gemeente kon bepalen minder stembureaus in te stellen. Immers de wet zou bepalen van een absoluut minimum uit te gaan, namelijk één of meer stembureaus. Daarom had B&W van de gemeente Oldenzaal de vrijheid het bij vijf stembureaus te houden. Daartegenover werd de gemeente Son en Breugel voor de burgerlijke (civiele) rechter gedaagd. Deze gemeente had zelfs iets minder in het aantal stembureaus gekort, namelijk 70%. Volgens de civiele rechter zat de gemeente echter fout. Niet naar de letter van de wet maar wel volgens de parlementaire geschiedenis. Daaruit blijkt dat de wetgever groot belang hecht aan het toegang hebben tot kunnen stemmen vanwege het maatschappelijk gewicht. Derhalve zal volgens deze rechter dat de gemeentelijke servicegerichtheid een breed gedragen maatschappelijke norm moeten zijn. Niet alles hoeft in de wet te staan volgens deze uitspraak, om toch geldend recht te kunnen zijn. Minder stembureaus kunnen leiden tot een lagere opkomst en zal de opkomst en de uitslag zeker beïnvloeden. Daarom was het een strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm om het aantal stemlokalen met 70% te reduceren. Daarbij hoort de civiele rechter terughoudend te zijn bij bestuurlijke aangelegenheden, maar als de overheid onrechtmatig handelt zoals in dit geval, zo overweegt de civiele rechter, moet de civiele rechter ingrijpen. Redenen temeer om altijd te bezien of er mogelijkheden zijn voor de burgers naar de civiele rechter te stappen. Immers het bestuursrecht is ingevoerd om de overheid te beschermen.’

Auteur

admin