Zoeken naar mijn vader in Kamp Wyldemerk

Kamp Wyldemerk. Mijn vader, Wiebe Haringsma, werkte er vroeger als jonge jongen en had het er vaak over. Het was een bepalende periode in zijn leven naar mijn idee. Zijn interesse voor andere culturen en geloven is daar ontstaan, is mijn stellige overtuiging.

Voor zijn dood, bezochten we samen nog een expositie bij Mar en Klif over het kamp. Hij was toen echter al ernstig ziek.

Bij een avond over het kamp, georganiseerd door Podium Gorter vorige week wilde ik dus graag zijn. Op zoek naar zijn sporen daar, over hoe hij het daar beleefd moet hebben. Want hij sprak altijd vol liefde over de mensen in het kamp. Hem vond ik niet, ook niet op de foto’s. Maar de drukbezochte en zeer informatieve avond gaf opeens een heel ander beeld van hoe het in die tijd zat met kamp Wyldemerk.

Alleen moslims

Dat er alleen maar moslims woonden bijvoorbeeld, daar had hij het nooit over gehad. Dat deze islamitische KNIL militairen van de Molukken die gedwongen werden huis en haard te verlaten (maar met de belofte dat ze spoedig terug zouden keren) heel anders leefden dan de protestantse en rooms-katholieke militairen ook niet. Maar ook niet dat de moslims veruit in de minderheid waren, bij de Molukse KNIL-soldaten. En dat die soldaten van verschillende eilanden kwamen met allemaal hun eigen mentaliteit: ik wist er niets van.

Imam

Mijn moeder had wel eens verteld dat ze zich in hun verkeringstijd rot geschrokken was op het kamp. Mijn vader was een klusje aan het doen, zij stond te wachten en toen stond daar opeens een man met een witte doek om zijn hoofd achter haar. De imam, zag ik vorige week op een foto en in het fotoboek van Ghani van den Bergh, een spreker die avond.

Dat ze anders aten, had hij wel verteld. Lekkerder en vanaf dat moment was hij dol op Indisch. Ik weet dat ‘andere eten’ aan het feit dat ze uit een ander land kwamen. Natuurlijk was dat ook het geval, maar hun spijswetten die voorschreven dat ze geen varkensvlees en haram eten (niet islamitisch geslacht) mochten eten bijvoorbeeld, daarover had hij me nooit verteld. Ook niet dat Kamp Wyldemerk was ontstaan omdat deze kleine groep teveel verschilde van de anderen en ze in de andere kampen hun geloof niet konden belijden of eten kregen dat ze niet mochten. Het is ook maar de vraag of inwoners van Gaasterland dat in die tijd wisten. Tijdens de bijeenkomst werd die info allemaal gegeven.

VOC

Spreker Otjep Rahantokuan vertelde de aanwezigen over de geschiedenis van Nederlands Indië en de rol van Nederland en de VOC daarin. Dat de handel in dure producten als kruidnagels en nootmuskaat al snel door de VOC met harde hand werd overgenomen. Hoe Jan Pieterszoon Coen, de grondlegger van Batavia, het hoofdkwartier van de VOC in Nederlands-Indië zorgde dat een opstand van bewoners van de Banda eilanden bloedig werd neergeslagen en duizenden bewoners werden vermoord. Hoe Indonesische nationalisten op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republiek Indonesië hadden uitgeroepen, maar Nederland dit niet accepteerde. En het in eerste instantie, onder andere met militaire acties, het koloniale gezag wilde herstellen. Hoe Nederland na 4 jaar de onafhankelijkheid van Indonesië moest erkennen en op 27 december 1949 de soevereiniteit werd overgedragen. En hoe in de politieke turbulentie rond de dekolonisatie van Indonesië in de Zuid- Molukken een eigen staat werd uitgeroepen, de Zuid Molukse Republiek. Molukse militairen die op dat moment nog in Nederlandse dienst waren en zich buiten de Zuid-Molukken bevonden, steunden die nieuwe republiek vaak. De groep KNIL soldaten hadden echter in hun overeenkomst staan dat zij zelf mochten bepalen waar ze werden ontslagen. Velen wilden terug naar de Molukken, maar Soekarno stak daar een stokje voor. Ook de Nederlandse minister Drees probeerde hen op Java te houden. Toen de situatie onhoudbaar werd, werden zij naar Nederland overgebracht. Tussen 23 maart en 21 juni 1951 kwamen de 2.500 Molukkers in de havens van Rotterdam en Amsterdam aan voor een tijdelijk verblijf. Door de grote woningnood, werden zij in kampen ondergebracht, veelal voormalige concentratiekampen. De Molukkers was steeds voorgehouden dat zij op den duur terug konden naar hun land, maar de Nederlandse regering wist al lang dat dit niet ging gebeuren.

Eerste islamitische dorp

Ghani van den Bergh, de tweede spreker ging in op het kamp zelf dat in 1954 in gebruik werd genomen en in mei 1969 haar laatste bewoners zag vertrekken. ‘Het was in feite één van de eerste Islamitische dorpjes in Nederland.’ Barakken die er al stonden, werden verbouwd tot woningen en gemeenschappelijke ruimtes als een kantine, een keuken en een ziekenzaal. In 1954 kwamen 23 gezinnen met bussen naar het kamp om er hun intrek in te nemen. Achmad Tan werd hun voorman die zich onder andere beijverde voor de bouw van een moskee. Dat die bouw best veel voeten in de aarde had, maar dat de oproep het gebed vanuit de minaret door veel Gaasterlanders als heel speciaal werd ervaren, werd duidelijk uit het betoog van van den Bergh en de aanwezigen. ‘‘Middenstanders kwamen verder naar het kamp om handel te drijven, meneer Veenstra werd de beheerder. Piet Boon werd aangetrokken voor het onderhoud. De verslagenheid was groot toen voorman Tan in 1957 overleed. Zijn begrafenis was overweldigend en niemand wist daarna hoe het verder moest. Daarom werd een kampoudste aangewezen.’

‘Toen er 2 mensen op hadj gingen, op pelgrimstocht naar Mekka, liep het hele dorp uit. En voor het offerfeest werden geiten en bokken gekocht en vervolgens geslacht en onder de mensen verdeeld. Er werden 11 huwelijken gesloten in het kamp, waarvan 3 met een Nederlandse vrouw. Ook overleden er 15 mensen in die periode, waaronder 12 kinderen. Het islamitisch begraven (richting Mekka) was best moeilijk te bepalen zo leerde van den Bergh. Een boer uit de omgeving zag de mensen op de begraafplaats met een kompas rommelen en zag dat dit niet goed kwam. Toen hij de richting aanwees, zijn de Molukkers vervolgens richting Mekka begraven op de begraafplaats van Nijemirdum. Daar gaan nog steeds veel familieleden naartoe m hun voorouders te eren. Andere anekdotes waren voor de toehoorders heel herkenbaar. ‘Er kwam een school op het terrein, maar de leerkrachten waren erg vrij. Als iemand riep dat de loempia’s klaar waren, verdwenen de juffen in de keuken.

Toen de kinderen naar de openbare school in Balk gingen, waren daar op een gegeven moment meer leerlingen van het kamp dan Gaasterlandse ‘.Een aantal mensen ging uiteindelijk terug naar Indonesië, anderen verhuisden naar buurten waar veel meer Molukkers woonden of kwamen in een flat of een gewoon huis terecht in bv Ridderkerk, Tilburg of Den Bosch. Nadat de laatste bewoners waren vertrokken werden de barakken verkocht, bijvoorbeeld om dienst te doen als vakantiehuis.’ De moskee ging naar een loonwerkersbedrijf.