De badhokjes van het Oudemirdumerklif

Het natuurgebied Oudemirdumerklif kent twee verschillende schuilhaventjes of vissershaventjes. De meest oostelijk gelegen schuilplas richting Lemmer was in gebruik bij Minne Minnes de Vries, de laatste Zuiderzeevisser van Oudemirdum. Het kleinere haventje meer naar het westen gelegen, gebruikte Inne Minnes de Vries (de oudere broer van Minne) als haventje.

Naast dit plasje hebben nu de meidoornstruiken bezit genomen van een stukje grond waar vanaf midden jaren 30 in de vorige eeuw tot en met vlak naar de Tweede Wereldoorlog een tiental badhokjes of verkleedhokjes hebben gestaan. De huisjes zijn ergens in de jaren 30 gebouwd en konden aan de inwoners van Oudemirdum worden verhuurd en gebruikt om zich om te kleden. Het verhaal gaat dat ook de bewoners van Rinia State in die periode met de koets en het Friese paard naar de hokjes reden om zich te vermaken in de toenmalige Zuiderzee. Er liep een pad min of meer in rechte lijn achter de boerderij van Wstra over het land van de Marderhoek, langs de boerderij van de familie Smink naar de badhokjes.

De hokjes zijn gebouwd in overleg met Dorpsbelang Oudemirdum. In die periode was Jan Baukema voorzitter en timmerman van beroep.  In overleg met Natuurmonumenten werd de pacht van de hokjes bepaald op 25 gulden per jaar voor de tien hokjes. Uit schriftelijke correspondentie tussen Dorpsbelang en Natuurmonumenten blijkt dat deze huur werd verlaagd naar 15 gulden vanwege de crisisjaren.

De badhokjes werden volgens verhalen uit het dorp vlak na de bevrijding afgebroken. Het was waarnemend burgemeester  H.B. van der Goot (van streng christelijke huize) die opdracht gaf de hokjes te slopen vanwege ‘onzedelijk’ gedrag. De hokjes stonden op vlonders en zouden voor de jeugd uit het dorp aanleiding kunnen zijn op ontdekkingstocht te gaan. Bewijzen hiervoor zijn in de gemeentelijke archieven niet gevonden.

(Tekst Arnoud van der Ridder)